Wanneer je jouw campagne via meerdere affiliatenetwerken promoot, is het belangrijk om dubbele commissie-uitbetalingen te voorkomen. Zonder een deduplicatie-opzet kan één transactie aan meerdere netwerken worden toegekend, wat kan leiden tot meerdere uitbetalingen voor dezelfde bestelling.
Om dit te voorkomen, adviseren wij om netwerkontdubbeling toe te passen op basis van het last click-principe. Dit betekent dat alleen het netwerk dat verantwoordelijk is voor de laatste klik vóór de conversie wordt beloond. Deze methode staat ook bekend als “last cookie counts” (LCC).
Let op: deze opzet is specifiek bedoeld voor deduplicatie tussen affiliatenetwerken. Het is geen volledig attributiemodel voor andere marketingkanalen zoals SEA, e-mail of social media.
Heb je automatische deduplicatie nodig?
In sommige gevallen, met name wanneer je net start met meerdere affiliatenetwerken, kan de impact van dubbele registraties in eerste instantie beperkt zijn. De overlap tussen netwerken kan relatief laag zijn, afhankelijk van je publishers en verkeersbronnen.
Het is mogelijk om deze overlap te monitoren en transacties handmatig te corrigeren indien nodig. Deze aanpak kan voldoende zijn in een vroege fase of bij campagnes met een lager volume.
Naarmate het volume toeneemt, wordt handmatige correctie echter minder schaalbaar en gevoeliger voor fouten. Het implementeren van een geautomatiseerde deduplicatie-opzet zorgt voor consistente tracking en voorkomt dubbele commissie-uitbetalingen op de lange termijn.
Houd er ook rekening mee dat het last click-principe bepaalt welk netwerk wordt beloond, maar niet altijd de volledige bijdrage van alle betrokken publishers weerspiegelt. Sommige adverteerders kiezen ervoor om ondersteunende publishers apart te belonen, afhankelijk van hun attributiestrategie. Lees meer over assisted conversions.
Je kunt netwerkontdubbeling implementeren in drie stappen:
- Stap 1: Registreer de netwerkbron
- Stap 2: Pas LCC-logica toe in de conversiepixel
- Stap 3: Valideer en monitor de tracking
Belangrijk: Netwerkontdubbeling werkt alleen correct wanneer alle betrokken affiliatenetwerken volgens dezelfde logica zijn ingericht. Daisycon kan alleen de eigen conversiepixel aansturen. Zorg er daarom voor dat ook de tracking en deduplicatie bij andere netwerken correct is ingericht.
LCC-functionaliteit in Daisycon integraties
Daisycon-integraties voor platforms zoals Magento en WooCommerce bieden standaard ondersteuning voor last click-logica binnen de Daisycon conversiepixel.
Voor andere platforms is deze functionaliteit niet standaard beschikbaar. In dat geval moet netwerkontdubbeling handmatig worden ingericht of via een tag management systeem zoals Google Tag Manager.
Deze functionaliteit stuurt alleen de Daisycon conversiepixel aan. De effectiviteit van deduplicatie is afhankelijk van hoe de tracking bij andere affiliatenetwerken is ingericht.
Het instellen van LCC vereist mogelijk aanpassingen in je campagne-instellingen. Stem wijzigingen altijd af met je contactpersoon bij Daisycon om onjuiste metingen te voorkomen.
Belangrijk: gebruik geen UTM-tag parameters voor de LCC netwerkparameter!
Vereenvoudigde uitleg van LCC-logica
Scenario 1: network=daisycon
- De laatste klik kwam via Daisycon
- Alleen de Daisycon conversiepixel wordt getriggerd
Scenario 2: network=othernetwork
- De laatste klik kwam via een ander affiliatenetwerk
- De Daisycon conversiepixel wordt niet getriggerd
Scenario 3: geen netwerkwaarde beschikbaar
- De herkomst van de bezoeker kan niet worden bepaald
- Er is een fallback-beslissing nodig, afhankelijk van je setup
Stap 1: Registreer de netwerkbron
Om deduplicatie toe te passen, moet je eerst vastleggen via welk affiliatenetwerk een bezoeker op je website is binnengekomen. Dit gebeurt meestal door een netwerkparameter toe te voegen aan de landings-URL en deze waarde op te slaan in een cookie of vergelijkbare opslag.
Voorbeeld:
https://www.jouwdomein.nl/?product=1&category=2&network=daisycon
Wanneer een bezoeker binnenkomt, wordt de waarde van de network-parameter opgeslagen. Deze waarde wordt later gebruikt om te bepalen welke conversiepixel moet worden getriggerd.
Zorg ervoor dat alle affiliatenetwerken een consistente parameterstructuur gebruiken, of dat inkomende parameters worden genormaliseerd voordat je deze opslaat.
Stap 2: Pas LCC-logica toe in de conversiepixel
Op de bedankpagina moet de conversielogica bepalen welk netwerk verantwoordelijk was voor de laatste klik. Op basis van deze waarde wordt alleen de bijbehorende conversiepixel getriggerd.
Hieronder staat een vereenvoudigd voorbeeld van hoe deze logica eruit kan zien. Dit is geen script van Daisycon en mag niet één-op-één worden overgenomen. De daadwerkelijke implementatie is afhankelijk van je website, setup en trackingvereisten.
<!-- Voorbeeldlogica, alleen ter illustratie -->
$fromNetwork = $_COOKIE['network'] ?? null;
$pixels = array(
'daisycon' => '<img src="https://www.ds1.nl/...." />',
'network2' => '<img src="https://www.network2.com/...." />'
);
if ($fromNetwork && isset($pixels[$fromNetwork])) {
echo $pixels[$fromNetwork];
} else {
// fallback logica
foreach ($pixels as $pixel) {
echo $pixel;
}
}
Belangrijk: dit voorbeeld is uitsluitend bedoeld om het concept van last click-logica uit te leggen. Dit is geen standaard Daisycon-script. In de praktijk kan de implementatie sterk afwijken afhankelijk van je setup of gebruikte tools.
Bepaal ook zorgvuldig hoe je omgaat met situaties waarin geen netwerk kan worden vastgesteld. Het triggeren van alle pixels zorgt voor maximale meetdekking, maar kan dubbele registraties veroorzaken. Het niet triggeren van pixels kan juist leiden tot gemiste transacties. Deze afweging is afhankelijk van je specifieke setup.
Gebruik van Google Tag Manager
Google Tag Manager kan worden gebruikt om netwerkontdubbeling te beheren zonder aanpassingen in de backend. Hetzelfde principe blijft gelden: alleen de conversietag van het netwerk dat verantwoordelijk is voor de laatste klik mag worden getriggerd.
Hiervoor moet de netwerkbron beschikbaar zijn binnen GTM, bijvoorbeeld via een cookie, URL-parameter of data layer variabele. Op basis van deze waarde kun je triggers en uitzonderingen instellen.
- Trigger de Daisycon conversietag alleen wanneer de netwerkwaarde gelijk is aan daisycon
- Voorkom dat de tag wordt getriggerd wanneer een ander netwerk is vastgesteld
- Definieer een fallback-regel voor situaties waarin geen netwerkwaarde beschikbaar is
De exacte configuratie is afhankelijk van je GTM-setup en de manier waarop de netwerkwaarde wordt opgeslagen. Test je implementatie altijd zorgvuldig voordat je live gaat.
Stap 3: Valideer en monitor de tracking
Na implementatie is het essentieel om te controleren of de deduplicatie correct werkt. Test verschillende scenario’s waarbij verkeer via verschillende netwerken binnenkomt en controleer of alleen de juiste conversiepixel wordt getriggerd.
Houd er rekening mee dat tracking op basis van cookies niet altijd betrouwbaar is. Browserrestricties, privacy-instellingen en adblockers kunnen ervoor zorgen dat de herkomst van verkeer niet correct wordt vastgesteld.
Om de meetnauwkeurigheid te verbeteren, kun je aanvullende technieken overwegen, zoals server-side tracking of alternatieve identificatiemethoden. Zorg er altijd voor dat je implementatie voldoet aan de geldende privacywetgeving.
Door regelmatig te monitoren voorkom je foutieve attributie en dubbele commissie-uitbetalingen.